Vakantie: maakt dat nou gelukkig?

 In Column

Rik van Dommele, vice-voorzitter

Eeuwenlang heeft de kerk bepaald of en wanneer mensen rust mochten nemen. En dat zorgde ervoor dat boeren en arbeiders 6 dagen per week werkten (God had de aarde tenslotte ook in 6 dagen geschapen) en zondags in schone kleren naar de priester mochten luisteren.

Vakantie is een uitvinding van de rijken die pas rond 1900 werd gedaan; met name om verre reizen te maken. Mijn opa vertelde mij hoe hij stond te juichen toen de fabrieksdirecteur in zijn goedgunstigheid aankondigde dat het personeel een vakantiedag kreeg. En dat was vlak na de Eerste Wereldoorlog. In de 20ste eeuw klimt het aantal vakantiedagen gestaag naar 3 weken in 1963, vooral ook dankzij de hard onderhandelende vakbonden.

De vraag is natuurlijk of vakanties ons gelukkiger maken. In het boek ‘’Wie (niet) reist is gek’’ van Ab Dijksterhuis legt hij uit dat dit van je basishouding afhangt. Volgens Dijksterhuis is het heel simpel: je bent een optimist of een pessimist.

Optimisten, hij rekent zichzelf daar gemakshalve toe, zijn nieuwsgierig en extravert. Die kicken op nieuwe ervaringen en hunkeren naar de vrijheid. Een flinke tegenslag zoals diarree in India zien ze als een kans om interessante dokters te ontmoeten en de hygiëne protocollen in Afrikaanse ziekenhuizen eens nader te onderzoeken. Geholpen door de selectieve werking van het geheugen, blijven toch alleen de leuke herinneringen hangen.

En de pessimisten? Ach, die klagen over de krappe beenruimte in het vliegtuig; het eindeloze wachten op treinen in Roemenië en de niet helemaal goed doorbakken steak in Argentinië. Voor hen is een reis een constante blootstelling aan stress zoals een varken op weg naar het slachthuis.

U mag kiezen. Ik weet het wel: lekker ver weg het avontuur tegemoet. Tot na de zomer.

Recent Posts